Concert 9-4-2016

 

  

 

   Voorjaars-concert  '16              

 

 

Uitgevoerd zal worden: Cherubini met zijn Requiem in c,

het 'In Paradisum', van Fauré,

en met sopraansolo's  'Prière' van Fauré, en 'Ave Maria' van Cherubini.

 

Concert [1] is op  zaterdag 9 april om 20:00 uur in het Kulturhus te Laren (Gld).

adres: Verwoldseweg 1, 7245 AG, Laren (Gld).    Website: www.kerklaren.nl/  

 

Concert [2] is op zondag 10 april om 15:00 uur in de Dorpskerk te Rheden,

adres: Dorpsstraat 51, 6991 HE, Rheden.    Website: www.dorpskerkrheden.nl/dorpskerk.html 

 

Klik 

 

Over de componist : Over de mis:
Luigi Cherubini (1760-1842)
De Italiaan Luigi Cherubini is een muzikale kameleon anderen noemen hem een opportunist. In Florence en later ook Venetië leert hij de kneepjes van het vak en al jong begint hij met het componeren van religieuze muziek. Luigi leert ook de opera kennen en zijn eerste opera, Il quinto Fabio uit 1780, levert hem zoveel faam op dat het pad voor een succesvolle operacomponist geplaveid lijkt. Na een tweejarig verblijf als hofcomponist in Londen, verhuist Cherubini in 1786 naar Frankrijk, waar hij hoopt te profiteren van de bekendheid van de Italiaanse opera. Die hoop komt uit! Mede dankzij zijn enorme aanpassingsvermogen weet hij de gunst te winnen van de belangrijkste opdrachtgevers en toehoorders, een positie als componist aan het Franse hof te verkrijgen en het Conservatoire de Musique in Parijs op te richten.
De Franse revolutie en de Napoleontische tijd (1789-1813) maken diepe indruk op Cherubini en bepalen mede de onderwerpen en het karakter van zijn opera's waarvan de bekendste Lodoïska en Médée zijn. Door de Europese operahuizen wordt hij uitgenodigd opera's te maken en pas in de nadagen van zijn leven doemt zijn religieuze interesse weer op. Dat is de periode waarin hij missen, motetten, cantates en ook het Requiem in c schrijft.
Cherubini staat in de traditie van de klassieke stijl van Haydn, Mozart en Beethoven en van de operastijl die in Italië gangbaar is ten tijde van Mozarts meest rijpe opera's. Aan die stijl geeft hij een eigen draai. Hij ontdoet die van haar compactheid en onsentimentele dramatische kracht. Daarvoor in de plaats stelt hij een meer zalvende toon, bijvoorbeeld door de inbreng van elementen uit oude religieuze muziek. Omgekeerd verandert hij de religieuze muziek door deze royaal te larderen met elementen uit de opera.
Als gevolg hiervan ontstaat niet alleen een duidelijke scheiding tussen kerkmuziek (die alleen in de kerk klinkt) en religieuze muziek (die ook buiten de kerk in de concertzaal kan klinken); het leidt ook tot een vervaging in het onderscheid tussen seculiere en profane muziek. De twee aspecten zullen zeer bepalend zijn voor veel negentiende-eeuwse muziek.
De nieuwe koers maakt Cherubini ook in de ogen van zijn tijdgenoten tot een belangrijk componist. Beethoven noemt Cherubini 'mijn grootste tijdgenoot' en Berlioz vindt het Agnus Dei uit het Requiem in c beter dan alles wat in dit soort geschreven is'. Na zijn dood raakt Cherubini in de vergetelheid, met uitzondering van de katholieke streken. In de twintigste eeuw, als zijn karakteristieke religieuze muziek niet meer past bij de smaak van de kerkelijke gezaghebbers, moet hij het vooral hebben van beroemde pleitbezorgers onder de musici. Die komen er ook: zijn opera's krijgen aanzien dankzij Maria Callas, zijn religieuze muziek vooral dankzij Riccardo Muti. In hun uitvoeringen is het zalvende element enigszins afgezwakt, maar wordt de dramatische en klassieke basis ervan sterk benadrukt. Die benadering doet na 195o de reputatie van Cherubini duidelijk goed. Hoewel van huis uit een componist voor kerkmuziek en opera, komt hij het beste tot zijn recht op het gebied waar deze stijlen elkaar ontmoeten.
Requiem in c (1816)
Cherubini schrijft het Requiem in c in 1816 ter nagedachtenis aan de executie van de Franse koning Lodewijk XVI in 1794 terwijl hij in 1797 een orkest leidt op een feest ter viering van die executie.
Het Requiem in c toont de kwaliteiten van theatrale kenmerken in kerk-muziek in de kiem: de voorzichtige sporen van een persoonlijke expres-siviteit in de vorm van sentimentaliteit kondigen de veranderingen van de klassieke uitgangspunten aan. Cherubini ís en blijft een operacomponist, ook als hij geen opera's schrijft, maar men moet het opera-achtige in dit Requiem eerder in de kleine figuren zoeken dan in opzichtige of grote gebaren. Een mooi voorbeeld is de instrumentale opening van het Graduale die de introductie van een langzame opera-aria zou kunnen zijn.
Traditie en (bescheiden) vernieuwing lopen in dit werk door elkaar. Het werk heeft de vaste delen van een dodenmis: Introitus, Graduale, Dies irae, Offertorium, Sanctus, Pie Jesu en Agnus Dei. De toonsoort van het gehele werk is c, die dikwijls geassocieerd wordt met
dramatiek (zoals ook Beethovens Vijfde Symfonie en Mozarts 24ste Pia-noconcert). De beweging in de verschillende delen is traag en gelijkmatig, zoals in Cherubini's tijd gebruikelijk is bij plechtige muziekvoor tragische gebeurtenissen. De trage tempi, de homofone schrijfwijze (in akkoorden die het hele koor zingt) en de tonale harmonische wisselingen maken het werk overzichtelijk en goed uitvoerbaar. Ook al speelt een orkest mee, het koor heeft de meest prominente rol. De donkere toon van het Requiem wordt versterkt door de contrabassen en de afwezigheid van violen in het openingsdeel.
Heel anders is de schrijfwijze in het Offertorium. Het tempo ligt weliswaar nauwelijks hoger dan in de eerdere delen, maar de partijen van het koor zingen meer apart en in dialoog, het orkest staat meer op de voorgrond en de muziek is ritmisch rijker. Bij de tekstregel 'Quam olim' kiest Cherubini voor de fuga, sinds de finale uit Mozarts 'Jupiter'-symfonie
uit 1788 een geliefde vorm om een sfeer van grootsheid en complexiteit op te roepen; de fuga herhaalt hij aan het einde van het Offertorium. De tempoversnelling in dit deel is voor kerkmuziek weliswaar zeer ongebruikelijk, maar in opera een beproefd middel om het dramatisch effect te vergroten. Geheel aansluitend bij de kerktraditie waar Cherubini uit voortkomt, is de zetting van het Sanctus als een lieflijk deel en van het Piejesu (althans in de openingsmaten) voor orkest en vrouwenstem.
In het Agnus Dei maakt de sombere toon van het openingsdeel plaats voor een verwachtingsvol uitzien naar een letterlijk hemels bestaan. De toonsoort verandert van c naar C, de muziek is onvervalst theatraal, zij het op bescheiden schaal.

 Uit: HANDBOEK VAN DE KOORMUZIEK

Emanuel Overbeeke